Onlangs met stijgend enthousiasme en ontroering bekeken: De documentaire reis van Agnes Varda en Jr, kriskras door Frankrijk, waarbij ze op diverse plaatsen grote zwart wit foto’s van werkende mensen maken, die ze vervolgens op gebouwen, ruines, caissons, containers en zelfs treinwagons plakken. Hoe fijn is het als een film niet een vast narratief pad volgt of zich niet laat aanlijnen door strikte van te voren vastgelegde vormprincipes. Agnes en de veel jongere JR, een graffiti artist, worden ook personages in hun eigen film, zonder dat dit lijkt voor te komen uit een vooropgezet duidelijk plan. Ze rijden van midden naar het Zuiden, dan weer naar Normandie en fotograferen werkende mensen. De korte gesprekken met deze mensen zijn helder, lief door goede bedoelingen, ontwapenend en op een bepaald moment zeker ook ontroerend: Als de vrouwen van de dokwerkers hun verhaal mogen doen in Le havre en hun portretten vervolgens huizenhoog op stapels zeecontainers worden geplakt, gaan op grote hoogte enkele containerdeuren open en mogen de dames zelf zeggen hoe ze zich voelen, op dat moment en wat betreft het kunstwerk. En dat ontroerde me in hevige mate. Opeens wordt daar de bedoeling van de film duidelijk: Dit is een exceptioneel soort reisdocumentaire; het is een film die direct teruggeeft aan de mensen, een film die de personen die ze portretteert ook verbindt en die ze zo iets geeft. Mijnwerkers die eindelijk ook eens ‘te zien’ zijn, een postbode die opeens gevel groot naar zichzelf kan kijken en voor het dorp zo ook even in de belangstelling staat. Dit is wat film ook kan zijn: Socialistische kunst pur sang !

Next
filmsites met ‘recensies’?